In mij la ligt nog een toneelstuk over autisme. Die haal ik er af en toe uit om nog wat te veranderen. Ik heb inmiddels de vaardigheid om zelfs in deze eindfase op een ochtend nog een halve pagina toe te voegen (of te schrappen), zonder daar nog lang over na te hoeven denken. Dit verhaal gaat veel meer over mijzelf dan al het andere wat nog in die la ligt.
In mijn dagboekje, wat ik lang geleden af en toe aanvulde over de moeizame relatie met mijn ouders, schreef ik eens (op m'n 49e, toen ik nog geen diagnose had):
. .
. Dat ik niet van ze houd, terwijl dat wel moet. Dat ik nooit van ze heb
gehouden en dat nooit gezegd heb. Kan ik dat niet gewoon voor me houden tot ze
er niet meer zijn en op een beetje beschaafde manier op de thee blijven komen en
keuvelen over de kleur van de gordijnen?
Nee. . . .
Dat was 15 jaar geleden en vier jaar later had ik dan de diagnose
'Asperger' bemachtigd. Toch ben ik in mijn toneelstuk, dat precies hier over
gaat, niet de hoofdpersoon. Dat is dan ook de reden dat het wat mij betreft
niet over autisme gaat, maar over de schijnbaar gevoelloze halsstarrigheid die
daar vaak mee samengaat.
De verzonnen moeder die zelf ook autistisch is (volgens die knul die mij
speelt), heeft de hoofdrol gekregen. Ze lijkt ook een heel klein beetje op mijn
moeder, maar gaat wel een strijd met zichzelf aan door, na een belachelijk
lange radiostilte, weer contact met haar zoon te zoeken. Dat lukt niet, maar ik
heb daar toch een open eindje achter geplakt, wat de voorstelling in ieder
geval niet supertriest maakt.
Alhoewel ik een jaar geleden al de
samenvatting had bedacht heeft de publicatie van de tekst ook nog wel een
open eindje.