Dit zijn een aantal onderwerpen die wat dieper gaan dan de algemene leidraad.
Waarschijnlijk ken je het fijne effect in proza van zintuigelijke
beschrijvingen. Of het nou de geur is van gebakken aardappeltjes die in de pan
liggen te sissen of de zwoele nazomerbries die over het graanveld de gelige
stengels doet wuiven, het geeft de lezer de kans om het beeld van het verhaal
in gedachten compleet te maken.
De fantasie aan het werk zetten. Dat doet de lezer graag, en de toneelbezoeker
niet minder. Maar op toneel hebben we al beeld. Natuurlijk kunnen we de
personages zulke dingen ook laten benoemen, maar dan met betrekking tot een
beeld dat niet zichtbaar is: een andere plek of een andere tijd.
Maar ik wil even op het speelvlak in het nu blijven. Het is misschien wat ver
gezocht, maar zou je het personage op toneel woorden kunnen geven die passen
bij iemand die vaak aardappeltjes staat te bakken in een veel te kleine keuken
of iemand die zich regelmatig langs de gelige graanvelden uit de naad fietst?
Als typering. Als je dat niet kan, zijn dit misschien de verkeerde voorbeelden.
Hoe praten jouw personages dan?
Idioom is spreekstijl en woordkeuze, maar impliceert ook afkomst,
levenshouding en karakter. De spelers zullen dit gretig aanvullen met tongval,
spel en handelingen.
Een voorbeeld: als iemand in mijn stuk blijkt geeft van een contractuele
ommissie, kan ik als reactie schrijven:
Contractbeheer heeft verzuimd dit te borgen.
of
Pluur het maar weer over de muur.
of
In welk jaar leven die lieden?
of
Die kennen d'r ook niks van.
of
Klojo's.
Vijf hele verschillende personages horen het probleem aan en reageren in hun
eigen woorden. De toeschouwer krijgt een aanreiking over iemands karakter,
status, wat iemand belangrijk vindt of meer:
Nou en?
of
Trek het je niet aan.
of
De wereld gaat kapot aan dat soort gasten.
of
Doe nou 's een keer een fatsoenlijk overhemd aan.
Ieder heeft een ingesleten manier om indrukwekkend over te komen, sympathie
te wekken, slimmigheid te etaleren of geloofwaardigheid aan te zetten.
Elke keer dat je een repliek op het voorgaande uit je duim zuigt, zou dat op
de eerste plaats door de geplande strijdconstructie ingegeven worden. Maar idioom
kan, zeker als je eens los gaat met freewriting,
een onverwacht draai geven die je schrijfplanning in de war gooit. Dat moet dan
maar. Je laat een stukje hoedanigheid van het personage uitkomen. Iets wat je
misschien nog niet eerder had bedacht.
Behalve dat een geloofwaardige eigenheid van iemands spreekstijl een belangrijke
sierwaarde aan je werstuk toevoegt, wek je bij het publiek meteen ook
nieuwsgiergheid naar de bron van die eigenheid.
Naast de emotionele insteek kan het idioom van een personage bestaan uit:
uitingsvormen van een groep waar iemand toe behoort:
- uitdrukkingen of taal(fouten) typisch voor een bepaald sociaal milieu
- dialect of woordgebruik van een anderstalig iemand.
- uitdrukkingen typisch voor een bepaalde werkkring of hobby.
- woordgebruik van een bepaalde leeftijd of generatie.
duiding van iemands gepreksrol of persoonlijke geschiedenis:
- overmatig gebruik van volzinnen of juist hele korte.
- lang van stof of juist weinig zeggend.
- met veel of weinig beeldspraak.
- fraai klinkend of bot.
- een stopwoordje.
Pas wel op bij het gebruik van vaktermen die het publiek niet kent.
Maar als iemands houding is "ik mag dan wel een vrouw zijn, maar ik ben de
enige hier die een beetje verstand van dit spul heeft", kan je haar best
expres laten zeggen:
IRIS: Ik wil die oscillatie er uit hebben.
SJON: Die wat?
Zeker als het publiek inmiddels heeft opgemerkt dat Iris heus wel weet dat Sjon
niet heel technish is.
Het is overigens niet ongebruikelijk dat iemand wisselt van woordgebruik in
wisselende gesprekken. Ook dat is idioom.
Waarschijnlijk schrijf je een dialoog makkelijk uit zonder hierbij na te
denken als je zo iemand goed kent. Maar uiteindelijk is het altijd zoeken
naar woordkeuze die versterkt wat je met het personage wil bereiken, een
misverstand oproept of een belangrijke belevenis voelbaar maakt.
Dingen die blijkbaar gezegd moeten worden:
VERA: Mama had pianohanden.
Woordkeuzes op basis van idioom kunnen in elk
stadium van je werkstuk opborrelen, maar houd er vast rekening mee dat je
daar in de laatste fase beslist ook een paar weken tijd voor neemt.
Ik was geen fan van freewriting tot ik ontdekte wat
Leonore Noorduyn gefocust freewriten
(variant 2) noemt. Ik moest denken aan de keren dat een regisseur tijdens het
repeteren zei: 'speel dit stukje nou nog eens, maar dan...', en dan verzon hij
dat er iets gebeurde wat niet in het script stond. Of iemand zei voor deze
improvisatie iets juist niet, iemand kwam niet binnen of iemand zei het
tegenovergestelde van wat we uit ons hoofd geleerd hadden.
Op dezelfde manier overval ik mijn personages graag met de interviewer in mij,
scherp maar niet al te opdringerig: een fijne gesprekspartner, die even één op
één de diepste gevoelens bespreekbaar maakt. Alsof het verhaal even stil gezet
wordt. Probeer het maar eens. Laat ze praten, even helemaal los van het onder
handen werkstuk.
Een hele onfijne gesprekspartner kan natuurlijk ook, als het maar iets los
trekt uit de kieren van jouw hersencellen waar je anders misschien nooit
op zou komen.
Freewriting is zonder garanties, maar er is een kans
dat de ontboezemingen van je personages een interessante loop met je nemen.
Zo schreef ik een keer in twaalf minuten de tekst uit van een denkbeeldig
diepte-interview met de moeder uit mijn voorbeeldstuk, twee maanden nadien.
Ze vertelde in deze reflectie ineens hoe zenuwachtig ze was geweest voor
de ontmoeting met haar zoon. Dat was voor mij een verrassend inzicht, waarmee
ik rekening ben gaan houden.
Ik moet deze dialoog oprekken, zeg ik tegen mezelf. Anders is deze scene
zo afgelopen. Schrijvers doen niks anders dan oprekken en steeds weer een goede
reden verzinnen waarom zo'n oprekking ook meteen logisch aanvoelt. Daarvoor
heb je op plotniveau je personages met de nodige tegenslag en omzichtigheid
belast. Ze botsen, houden dingen verborgen voor elkaar en stellen hun tactiek bij.
En je laat ze bewust een eigenwijze omweg nemen.
Maar er is een andere omzichtigheid waar men zich nauwlijks bewust van is.
In ieder geval zo onbewust dat er geen woorden aan vuil gemaakt worden.
Achter de tekst die er dan uit floept schuilen nare gevoelens die de
persoon in kwestie bij zich draagt, sommige luchtig, anderen loodzwaar. Wuif
de luchtige niet weg, maar hoe zwaarder zo'n gedachte is, hoe belangrijker
het is om te ontdekken hoe zo iemand een emotionele houding maskeert, die zou
klinken als:
Ik haat je
Ik kan niet zonder jou
Ik geloof niet in mezelf
Ik ben bang voor de toekomst
Dat is subtekst: wat iemand niet zegt.
Het begrip subtekst wordt vooral gebruikt bij acteren, als men bij het
doorwroeten van een rol gaat raden wat onderliggende emoties kunnen
zijn.
Ik heb het liever over camouflagetekst, beter hanteerbeer tijdens het schrijven:
wat iemand wel zegt. En dat komt er dan uit als een ingesleten impulsieve
vluchtweg, weg van die verstopte gedachte naar iets wat een beetje meer
indruk maakt.
Maar waarom zou mijn personage deze simpele uitingen niet gewoon zeggen?
Soms krijg ik het gevoel dat ik hem of haar even iets dommer moet maken. Het
gebrek aan oprechtheid voelt dan ineens zo ver gezocht. Ik klamp mij dan vast
aan het idee van een automatische piloot. Mensen hebben helemaal niet al die
gespreksmogelijkheden die ik ze toedicht. Ik heb daar ooit eens
een metafoor op
gebaseerd.
Iedereen is wel een beetje vastgeroest in bepaalde gespreksimpulsen. Dat
komt door de autonomie van de onderbuik. Dat een personage niet de woorden
vindt voor zo'n basale uiting, komt omdat hij of zij er niet naar zoekt.
Er spelen nog veel meer afwegingen die de onderbuik maakt. Er is een grote
kans dat ingesleten persoonlijke gespreksconventies domineren: zo wil ik
klinken.
Zo wil ik altijd klinken! Dat is een ingesleten keuze van de onderbuik
over een betere verpakking: hoe die iemand beslist niet dom gevonden wil
worden. Hoe een emotioneel zwaktebod toch een zelfverzekerde uitstraling
krijgt. Het is een maniertje geworden dat het gewenste imago en zelfbeeld
moet bevestigen ('niet kwetsbaar opstellen').
Wat je hem of haar uiteindelijk laat zeggen kan echt van alles zijn,
misschien wel een heel ander onderwerp, zolang het maar klopt met die
onderbuikreflex, en zeker niet als brevet van onvermogen klinkt. Zelfs
bij het doorbreken van een gespreksconventie (ruzie zoeken, zeggen waar
het op staat, een zekere waarheid opbiechten of opeisen), kan dat er ook
uit komen via een voorgeprogrammeerde gespreksconventie: een repliek die
in het verleden altijd goed voelde.
Niet om het ingewikkelder te maken, maar deze uitingen vallen naadloos
onder idioom.
Camouflagetekst maakt een scene spannend, maar in de loop van het stuk zal het nut ervan afkalven. Zodra je het wel en wee van de personages hebt geïntroduceerd, kun je hier en daar alvast de roestplekjes laten zien van een verborgen gedachte, waar de toeschouwer zich misschien niet meteen bewust van wordt, typerend voor deze persoon en hooguit een tikkeltje opvallend of vervreemdend.
ironische draai:
A: Je ziet er goed uit.
B: Nou dan moet je maar niet dichterbij komen.
(ik ben echt niet meer aantrekkelijk maar ik heb een geweldig gevoel voor humor)
beeldspraak uit eigen ervaring:
A: De banen liggen voor het oprapen.
B: Je zwemt met je diploma op zak zo de arbeidsfuik in.
(ik heb dan een klotebaantje maar ik weet precies hoe de maatschappij in elkaar zit)
zelf verzonnen metafoor:
A: A: Ik snap jou niet.
B: Ik ben jouw blinde vlek.
(wij passen niet bij elkaar maar ik kan dat heel poetisch verbloemen)
zelf verzonnen uitdrukking:
A: (plechtig) geachtige bestuursleden-
B: Ja, sla de fanfare maar over.
(ik heb dan wel geen directiesalaris maar zonder mij stel jij niks voor)
Dezelfde emotie dik je dan over de helft van de voorstelling wat meer
aan, zodat het publiek er zich bewust van wordt.
De eindstrijd zal ten slotte ook een eind maken aan de bruikbaarheid van
camouflageteksten. Die is al spannend genoeg van zichzelf en het zal dan
juist bevrijdend aanvoelen dat emoties aan het gevangenschap van het
middenrif weten te ontsnappen.
Wat mij betreft noteer je in de
plotfase
al in welke fragmenten je met camouflagetekst aan de slag zou kunnen: op
welke momenten van de emotionele reis er kansen opduiken om te tonen hoe
die bepaalde persoon met bepaalde hulpkreten vanuit de
onderbuik omgaat.
Elk personage kan voor een bepaalde duur worden gepromoveerd tot tritagonist
van de scene. Ik zeg dit met ironie, want een tritagonist is eigenlijk een
soort kop-van-Jut, en meestal een bijrol in die scene.
Wanneer twee tegenstanders, zoals de hoofdpersoon en een opponent (protagonist
en antagonist), behoefte hebben om hun grieven te uiten, terwijl een andere
aanwezige dit omwille van fatsoensnorm belet, heb je een gouden kans om dit
spannend te maken. Je laat dan dat ongenoegen verpakken in een onschuldig
klinkende tekst aan de tritagonist.
Zo'n tekst zal ze uitdagen om de rand van die fatsoensnorm op te zoeken:
[VROUW, MAN tegen BABY]
MAN: (lieflijk) Tja, mama weet niet meer wie jou gemaakt heeft. Helemaal vergeten. Zomaar, helemaal vergeten.
Vervolgens worden door de tegenpolen heel snel achter elkaar keuzes
gemaakt voor een meer of minder fatsoenlijk vervolg van de
dialoog,
die zomaar een hele pagina kunnnen beslaan.
Er zijn nog veel meer situaties denkbaar waarbij iemand opvallend
van toon verandert als er een derde bij komt, en het
gebezigde idioom een opvallende wending neemt.
En dat is altijd een interessante gelegenheid om nog meer over de
situatie te duiden.